De Lawn Tennis Club Maarsen-Broeck is opgericht op 18 januari 1976 (vervolg).

Door Feiko H.Postma

LTCM 1976-2006

Inleiding
In dit tweede en laatste deel van de geschiedenis van de LTCM staan de zogenaamde nevenactiviteiten die voor een vereniging bijzonder belangrijk zijn, centraal.

U allen weet als geen ander dat elke vereniging veel commissies kent en dat die samen de club draaiend houden. Nu lijkt dat bij onze LTCM op het eerste gezicht uitsluitend de barcommissie(!) te zijn, maar dat is wel erg kort door de bocht. In dit artikel wil ik vooral aandacht schenken aan ons clubblad, dat belangrijke communicatiemiddel dat jaren lang First Service heette. Terloops beantwoord ik ook de vraag, waarom de vereniging altijd zal blijven bestaan. Dat moet voor het bestuur een hele geruststelling zijn!

Voor dit tweede artikel heb ik zoveel mogelijk gebruik gemaakt van clubbladen en krantenknipsels. Annemarie van Zuijlen gaf mij nog heel wat clubbladen, die ik niet kende, waarvoor mijn dank. Af en toe ben ik hierdoor genoodzaakt om nog eens terug te komen op zaken die in het eerste artikel stonden, maar ik hoop dat u mij dat vergeeft.

Ten slotte wil ik u niet onthouden één opmerking die ik naar aanleiding van deel één kreeg over de financiële uitdagingen van Richard Krajicek sr. aan de tennisjeugd van LTCM. Arthur (Welten) betwijfelde oprecht of dit inderdaad zo ging. Hij meende dat vader Krajicek dit soort dingen niet deed. Waarvan acte!

De clubbladen
Door de jaren heen is het clubblad de manier van communiceren geweest tussen het bestuur en de leden. Ook de vele commissies die de vereniging telde, konden hier hun informatie kwijt. Wat voor soort mededelingen waren dit? Wat was de bijdrage van de “gewone” leden? Wat lieten de diverse besturen van zich horen?

Allereerst iets over de naam. Meestal luidde die First Service maar het is ook vaak genoeg voorgekomen dat het onder de weinig prozaïsche naam “clubblad” door het leven ging. Het moet in 1977 zijn geweest dat First Service het leven zag. Vanaf de beginperiode kende de LTCM een clubkrant. Ergens in 1977 verscheen het eerste exemplaar met als één van de hoogtepunten de aankondiging dat Ruben Wegman, zoon van Fransje en Rudi Wegman, het levenslicht had aanschouwd. In die periode was Rian van Schijndel een drijvende kracht achter First Service. De oudgedienden onder u weten dit ongetwijfeld nog. Zij had de eindredactie van het blad in handen.
De eerste exemplaren verschenen overigens in offset, een prijzige aangelegenheid in die tijd. Andere gewaardeerde medewerkers in de beginperiode waren Ben de Ridder, Elly de Ridder, Henk de Jong en Paula de Jong. Eén ding deden de toenmalige redactieleden niet: het zelf schrijven van stukjes. Rian van Schijndel zei hierover in 1981: ‘Iedere krant die wordt gemaakt begint met een redactievergadering. Nou, bij ons is dat niet het geval, omdat de redactieleden zélf nooit aan schrijven toekomen.i
De redactie werd gevormd door Peter de Vré, Adri Welten, Tineke Sta, Rian van Schijndel, Ton van den Haspel en Andries van Sintanneland. Omdat zij uit ervaring wisten, wat er zou binnenkomen, waren zij altijd in staat om de omvang van het clubblad van te voren te bepalen. Rian van Schijndel zorgde voor een eerste, ruwe selectie van stukjes. Daarna was het Peter de Vré die de artikelen voorzag van illustraties, meestal tekeningen. Vervolgens moest de clubkrant worden ingebrand en gestencild, waarna die in elkaar werd gezet. Dit vergde een enorme inspanning, omdat de LTCM toen al 600 leden telde. U ziet, tennisvrienden, dat de productie van het clubblad niet zo maar even werd gedaan. Bovendien was het bepaald niet gratis. First Service werd inmiddels gestencild, ongetwijfeld om de kosten te drukken.
Hoe financierde de LTCM de uitgave van het blad? We laten Rian van Schijndel nogmaals aan het woord: ‘we proberen nu (april 1981:FP) advertenties te werven door gewoon een aantal bedrijven ons clubkrantje toe te sturen en na een tijdje schriftelijk het verzoek te doen om een advertentie te plaatsen.’
Het doel was om zoveel hiermee op te halen dat de onkosten van First Service volledig gedekt zouden worden. Wat de redactie in de periode voor elkaar kreeg, was heel behoorlijk.
First Service verscheen twaalf keer per jaar. Geen wonder dat men wel eens met de handen in het haar zat, wanneer copy dreigde te ontbreken. Uiteindelijk kwam het altijd weer goed, zeker in de wintermaanden, want door alle jaarverslagen en voorbereidingen op het nieuwe seizoen, waren er volumineuze clubbladen.
Geleidelijk drong de moderne techniek, de computer en floppy’s, door en in de jaren negentig kreeg First Service een mooiere lay-out. De uitbesteding hiervan aan een bedrijf uit Amersfoort is hier stellig debet aan geweest. Advertenties konden nu ook in kleurendruk verschijnen en het resultaat was een, zoals dat in modern, hedendaags Nederlands heet, professioneel blad.
Er was inmiddels weer een nieuwe redactie aangetreden met mensen als Leny Roest, Els Litz en Marijke Khouw. Els en Leny zouden bijna tien jaar lang gezichtsbepalend voor het blad zijn. Een strak aanlever-, redactie- en verzendschema moest nu garanderen dat er tussen de inleverdatum en de dag van verschijning maximaal twaalf dagen zaten. Eind 1995 mocht de redactie met tevredenheid terugblikken op het genomen initiatief. In de meeste gevallen ontvingen de leden de First Service twee weken na sluitingsdatum, constateerde de commissie Algemene Zaken voldaan.
Kennelijk verliep nog niet alles gladjes, want over de lay-out en de inhoud werd met de redactie gepraat.ii Een noodkreet van de redactie begin 1998 aan de leden om meer stukjes te sturen -‘enige copij’- wees er op, dat het moeite kostte om het blad gevuld te krijgen.iii Dat constateerden Els en Leny ook bij hun afscheid als redactieleden, in april 1998. ‘Elke keer moest er weer heel wat getypt, maar vooral getelefoneerd worden om alle stukjes bij elkaar te krijgen,’ want iedereen die de sluitingsdatum kende, leverde toch te laat in.iv
Waren de leden van de LTCM zo passief, dat deze opmerking gemaakt werd? Nee, het is eerder een bevestiging van de opmerking dat het “altijd dezelfden zijn” die het werk doen. Maar deze klacht hoor je in alle verenigingen.

De inhoud
Wie schreven de artikelen? Wat was de inhoud van de stukjes? De berichtgeving vooral van allerlei commissies afkomstig. Het bestuur leverde naar verhouding de grootste bijdrage. Daarnaast kwamen er ook veel mededelingen van de Technische Commissie, de Jeugdcommissie en de Tennis Aktiviteitencommissie. Een enkele keer reageerden ook leden via het blad. Dat komt direct aan de orde. Er waren vrolijke en trieste familieannonces. Soms ook was er een lid, dat onder pseudoniem schreef. Begin jaren tachtig deed de “Buitenstaander” dit, te vergelijken met de hedendaagse “Kraaij”. Daarmee werd First Service wat een verenigingsblad inderdaad moet zijn: een middel van communicatie naar de leden. Dat brengt ons bij een ander punt.
Welke omvang hadden de bladen?
Het aantal clubbladen dat ik tot mijn beschikking had, was slechts 35. Het eerste dateerde van maart 1981, het laatste van begin 2000. Maar er zit een duidelijke rode lijn in. De decembernummers telden altijd meer dan 40 bladzijden, met uitschieters naar 52! Ook de edities van april scoorden goed, maar die bevatten steeds veel informatie over de aanstaande competities. Het gemiddelde aantal bladzijden inclusief advertenties was ruim 32. Het aantal pagina’s van First Service was en is altijd deelbaar door vier! De omslagen heb ik buiten beschouwing gelaten.
First Service verscheen ten minste wel zes of zeven keer per jaar.

De banen
In deel één schreef ik al het een en ander over de toestand van de banen in 1997. Veel leden meenden bij een enquête dat het onderhoud beter kon. In het vorige artikel kwam dit aan de orde. In 1994 had zich overigens een vermakelijk voorval afgespeeld. Het was begin april, kort voor aanvang van de competitie. Ondanks alle goede zorgen van de groundsman Claas Kettenburg stonden de banen blank. Dit kwam, maar dat wist amper iemand, omdat door heiwerkzaamheden elders in Maarssenbroek, het water in de sloot achter de dijk hoger was dan normaal. Al met al bleef het water op de banen en de competitie dreigde ernstig in gevaar te komen. De Gemeente werd op donderdag opgetrommeld en de conclusie werd al snel getrokken: verstopte drainagepijpen. Afgesproken werd dat de Gemeente een bedrijf binnen een week opdracht zou geven de pijpen door te spuiten.
Die zaterdag regende het en besloten werd tot uitstel van de eerste partijen. Maar korte tijd later werd het droog en plotseling zakte het water weg. Frans Deichmann van de Technische Commissie verhaalde hoe die avond een niet nader te noemen bestuurslid op de baan kwam –hij noemde hem Harry- dat tot zijn verbazing vaststelde dat er werd getennist. Deichmann vertelde “Harry” dat hij aan de buitenkant van het clubhuis een rode afsluitknop had gevonden, die hij verwijderd had, waardoor de banen als een badkuip leegliepen. “Harry” geloofde het braaf, vertelde het door aan anderen die vervolgens Deichmann belden met de vraag waar die knop zat? Zij kenden het clubhuis immers zo goed en hadden nog nooit een knop gezien! Deichmann zelf meende dat de Gemeente Maarssen de vrijdag voor de competitie de sloot heeft laten bemalen, waardoor het water wegzakte.v
Hoewel bovenstaand verhaal curieus is, neemt het niet weg dat er in deze periode ontevredenheid begon te heersen over de kwaliteit van de banen. In februari 1995 leidde dit tot de oproep in het clubblad wie bereid was om als het ware één gravelbaan te adopteren? Een grote groep gedreven clubleden meldde zich en op drie zaterdagen togen steeds dertien enthousiastelingen aan het werk en over het resultaat was iedereen dik tevreden.vi
Deze inzet toonde nog eens aan dat er op cruciale ogenblikken mensen opstonden om de club te helpen.
In 1997 kreeg deze actie een vervolg met het opknappen van onder meer de tribune. Hier bleef het niet bij. Van de leden werd nog meer eigen verantwoordelijkheidsbesef gevraagd. In 1998 draaide de vereniging voor het eerst in jaren zonder groundsman. Ongetwijfeld zijn deze veranderingen beïnvloed door de resultaten van de eerder genoemde enquête uit 1997. Vooral de kwaliteit van de banen had het daarin moeten ontgelden. De parkcommissie kwam nu met een speciale instructie aan de leden hoe de banen te sproeien. Uit reacties bleek dat niet iedereen het plezierig vond om door de parkbeheercommissie te worden aangesproken op zijn of haar manier van omgaan met de banen. Het bestuur meende dat de leden dat moesten accepteren. Door in 1998 te bezuinigen op een groundsman kon er later een automatische sproeiinstallatie worden aangeschaft, zo luidde de redenering.vii

Prestatievereniging?
In deel één kwam de discussie aan de orde, die rond 1980 werd gevoerd over de vraag of de vereniging een prestatiekarakter moest krijgen en in het verlengde daarvan hoeveel ruimte er moest zijn voor de recreatiespelers. We zagen dat het bestuur de prestaties wilde stimuleren. Voor de jeugd kwamen speciale trainingsfaciliteiten. Het aantal jeugdleden was in 1995 150. Vooral de hoeveelheid jeugdleden bood perspectief, niet alleen wat betreft de continuïteit van de vereniging, maar misschien met betrekking tot het spelpeil. Juist op dat vlak constateerde voorzitter Marjo Lam een zorgelijke ontwikkeling. Een aantal van de betere spelers had de LTCM in 1994 verlaten en had gekozen voor een vereniging waar zij beter aan hun trekken kwamen.
In 1995 vernamen de leden van het bestuur dat er een conceptbeleidsplan was geschreven. Hierin stonden de toekomstplannen. Nog steeds was het uitgangspunt ‘een evenwichtige verdeling tussen recreatief en prestatief tennis.’viii De getalenteerde spelers zouden een speciaal trainingsprogramma aangeboden krijgen. Voorts dacht het bestuur aan gezamenlijke zomeractiviteiten met De Blauwe Reiger en Luck Raeck. Het bestuur constateerde een scheefgroei tussen de verhouding van prestatief en recreatief tennis. Te zeer lag nu de nadruk op het recreatieve element. Het doel was om op korte termijn terug te keren in de vierde klasse van de zondagcompetitie. Door het vertrek van heel wat jeugdleden, kwam er van de hoogdravende “prestatieve” doelstellingen weinig terecht. Weliswaar telde de club in 1997 nog altijd 116 junioren maar dat betekende wel een daling van ruim 22 procent. Een tijdelijke stijging van de jeugdaantallen (tot 175), mogelijk een gevolg van ledenwerfacties in die jaren, leidde nog één keer tot een opflakkering van de LTCM in competitieverband.
In het seizoen 1999 schreef onze club twaalf jeugdteams in voor de diverse KNLTB-competities. Twee ploegen bereikten de eerste klasse, één team speelde in de tweede klasse. Daarna volgde een dramatische teruggang.
Wat betekende het conceptbeleidsplan voor de recreatiespelers? Hoe probeerde het bestuur hen tegemoet te komen? Het bestuur dacht voor deze groep aan een kennismakingstoernooi, tossochtenden en –avonden, een verrassingstoss, invitatietoernooien en ook een TAKkebrunch. Het was zeker een plan, dat evenwichtigheid uitstraalde. Tegelijk legde het grenzen bloot van de kleinere tennisvereniging die de LTCM was en nog steeds is. Hoe hoog je ook komt, altijd blijft er een spanning bestaan tussen recreatie en prestatie.

Reacties
Een enkele maal was het clubblad het decor van ingezonden brieven die deze thematiek aansneden. De meeste leden die er een mening over hadden, zullen dit mondeling hebben aangekaart. Een venijnige brief van een recreatiespeler in augustus 1996 wond er geen doekjes om: LTCM was al lang verworden tot een vereniging waar het nog slechts om de competitiespelers draaide. ‘Het mooie is dus dat je van de 28 weekenden die in een seizoen zitten ongeveer de helft kan vullen met wedstrijdtennis.’ Spottend waarschuwde de briefschrijver voor ‘een vereniging waar mensen alleen voor hun plezier komen tennissen, zonder dat er wat op het spel staat.ix
Het bestuur meende dat de zaak genuanceerder lag, maar erkende wel dat door de grote hoeveelheid activiteiten het echt “vrij spelen” moeilijker was geworden.x
In 1996 was er ook stevige kritiek op de organisatie van de clubkampioenschappen. De krachtsverschillen waren veel te groot.
Een jaar later was het niet anders. Een andere briefschrijver vroeg zich af of dit de toekomst van de LTCM zou worden? Waarom werden spelers niet ingedeeld op basis van speelsterkte of leeftijd?xi De wedstrijdcommissie antwoordde dat het nu eenmaal bij clubkampioenschappen hoort dat je snel uitgeschakeld kan worden. Wel zegde de commissie toe om iets met de kritiek te doen.

Ten slotte
LTCM is de afgelopen dertig jaar over bergen en door dalen gegaan. Het is meer dan eens gebeurd dat besturen en commissies lieten weten dat ze dringend vrijwilligers nodig hadden. Ook enkele jaren geleden werd die noodkreet gehoord. Vaak was het aan de late kant, maar altijd kwamen de vrijwilligers weer, of het nu ging om het herstellen van de banen of om het begeleiden van jeugdleden in de vorm van mentoraat.
LTCM is, wat het dertig jaar geleden aan het begin was: een gezellige vereniging met vooral een sociale functie waar leuke wedstrijden te zien zijn. Daarom zullen er altijd weer mensen opstaan om de vereniging te helpen. Daarom ook blijft de LTCM bestaan!
Einde

Notes
i  First Service, april 1981, 23. Rudy Wegman nam Rian van Schijndel een uitgebreid interview af over haar activiteiten binnen de redactie.
ii First Service, december 1995, 27.
iii Ibidem, februari 1998, 5.
iv Ibidem, april 1998, 31.
v Ibidem, mei 1994, 9, 10.
vi Ibidem, april 1995, 6, 7.
vii Ibidem, mei 1998, 4
viii Ibidem, mei 1995, 5.
ix Ibidem, augustus 1996, 8.
x Ibidem, augustus 1996, 7.
xi Ibidem, september 1997, 22.

Deel deze pagina via:

Lid worden van L.T.C.M.

Speciale aanbiedingsprijs 1e jaar lidmaatschap:
Junioren 5-12 jaar€50,00€40,00
Junioren 12-18 jaar€65,00€50,00
Senioren 18-24 jaar€145,00€65,00
Senioren€190,00€95,00

Lidmaatschap   Tennislessen

De tennis-(Whats)APP

tennis app Wel willen tennissen maar niet weten met wie?
Herkent u dat?
Wij hebben de oplossing!

Meer weten?

Laatste nieuws